Tante Thea

Tante Thea, al decennia zaliger, beschouwde zich met afstand als de meest sportieve onder mijn ooms en tantes. Een opmerkelijke prestatie was dat evenwel niet. Buiten haar deed niemand aan sport.
Het leven van mijn familie en omstreken was overzichtelijk, halfweg vorige eeuw. Je werkte, voedde kinderen op, lapte de ramen. Die drukte was ruimschoots voldoende om de gedachte aan sportieve bezigheden te verdringen. ’s Avonds legde je voldaan de voeten op de poef. En in het weekend legde God beslag op je vrije tijd door je naar de kerk te beieren. Of oma beval je naar het bejaardenhuis.
Voor de heren des huizes restte in het weekend hooguit een paar uurtjes om langs de velden, al dan niet voorzien van een heftig walmende bolknak, hun kinderen aan te moedigen – of de favoriete voetbalclub.

 

Een voetbalknie? Wie dachten ze wel niet dat ze voor zich hadden!

Alle moeders wierpen zich dan op het bereiden van soep, die op zondag hele straten de geur van vleesbouillon lieten ademen. Een lucht die ik soms, en dan maar al te graag, herbeleef – ook als het geen zondag is.
Ook tante Thea kookte soep. Daarnaast had ze royaal tijd voor andere dingen. Als kinderloze tante (ik kwam zelden bij haar op visite) diende ze alleen oom René, ondanks zijn imposante postuur een bescheiden, wat sullige verschijning – wat volgens mij een directe relatie had met het karakter van Tante Thea, die ook qua voorkomen het tegenbeeld was van haar man.
Mijn tante vulde haar ledigheid met tennis. We hebben haar nooit zien spelen maar wel in passende kledij gezien wanneer ze na afloop bij mijn moeder op de koffie kwam. “Gezellig”, riep ze dan, waarna ze uitbundig vrolijk vertelde hoe fantastisch ze had gespeeld, hoewel die vrolijkheid naar het oordeel van mijn moeder vooral te herleiden was naar de gebruikelijke sherry na afloop – “en waarschijnlijk heeft ze geen racket aangeraakt”, voegde ze er na haar vertrek aan toe, “want die kan toch helemaal niet tennissen. En al helemaal niet met die knieën.”

Daar had ze een punt. Menigmaal nodigde tante Thea haar zus uit om te komen kijken, maar als die eens de tijd zag “het spelend mirakel” (mijn moeders woorden) te aanschouwen, was ze toevallig net weer geblesseerd aan haar knie. Ze moest uiteindelijk onder het mes.
“U heeft een voetbalknie”, zei de arts
Dat was tegen het zere been van mijn tante. Voetbal! Wie dachten ze wel niet dat ze voor zich hadden!
“Onmogelijk. Ik speel tennis!” reageerde mijn tante, in de hoek gezet van het voetballende plebs. “U bedoelt zeker een tennisknie.”
“Bestaat niet”, zei de arts.
Om de onenigheid bij te leggen, rondden mijn tante en de arts het neutraal af op een meniscus.
Getuige van dit verbond was een houten tennisracket naast haar ziekenhuisbed, dat krachtig haar sportieve leven diende te onderstrepen. En wilden we iets voor haar meenemen, dan liever geen bloemen of een fruitmandje, maar ballen. Om haar vreselijke pijnen te verzachten kreeg ze van oom René een wit tennisjurkje.
Omdat mijn moeder, en de rest van de familie, nauwelijks verstand hadden van het edele tennis, gingen de gesprekken tijdens bezoekuren – een meniscus hield je dagen in het ziekenhuis – vooral over deze sport. Uitleg van de puntentelling was tante Thea’s lievelingsonderwerp omdat niemand die begreep. Met haar opgewonden hoge stemmetje, sleepte ze de tennisanalfabeten rond haar bed zelfs terug in de geschiedenis, teruggaand tot zestienhonderd. Maar ook over de stand van stad en land ventileerde ze, op dwingende wijze, haar inzichten.
Welbeschouwd gaf ze blijk van een voor die tijd opmerkelijk brede interesse. Sterker, streep je de minder florissante momenten weg, dan hebben wij, tennisliefhebbers van nu, allemaal wel een vleugje tante Thea in ons.

 

Hawk Eye

© Niets van deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de schrijver.