Moordaanslag

Hij ligt iedereen nog spartelend in het geheugen: Neymar die zich kermend langs de kalklijn ligt te verlagen, de geblondeerde kruin zwiepend van links naar rechts, Een diep weerzinwekkende vertoningen om de scheidsrechter te vermurwen een collega-boosdoener een oor of een kaart aan te naaien. Een klein gekwetst kind dat zijn zin wil krijgen. Onsmakelijke manipulatie.
Ik dank het Opperwezen dat ik die karaktertrek van Neymar niet heb. Toegegeven, zijn talent had ik graag bezeten – zeker met een schuin oog op zijn briljante maandsalaris – maar die ziekelijke inborst, nee.

Een minuscuul tikje, uitvergroot tot een misdrijf van betekenis.

Het circus lang de lijn was nog geen minuut gesloten of Neymar was alweer vergeten hoe ernstig het allemaal was. Hoeveel zeer hij had gehad, dat hij op sterven na dood was geweest. Hij vergat zelfs te hompelen of trekkebenen, als duidende stuiptrekking van wat hij nog steeds moest doorstaan. Fris en kwiek liep Neymar rond, tot de volgende gelegenheid zich aandiende. Een tik tegen de pink en hup, daar ging hij weer als door een mokerslag geveld.

Mijn moeder zou uit haar urn stuiven wanneer ze mij op zulk gedrag zou betrappen. ‘Zo heb ik je niet opgevoed, jongen! Je hebt toch geen aanstelleritus?’ Het woord hoorde ik uit haar mond voor het eerst, meer dan vijftig jaar geleden. Ze sprak het uit als was het een afschuwelijke ziekte.

De moeder van Neymar? Zou die zich ook schamen? Of zou ze zich verweren door een beroep te doen op de moeilijke jeugd die haar zoon, en – voor het romantiekgehalte – zo’n beetje elke topvoetballer tegenwoordig lijkt wel, had moeten doorstaan, zodat hij het,

gehard door het leven, zover kon schoppen, waarbij de chronische aandoening waaraan haar zielige zoontje lijdt een smetje is dat verzoenend dient te worden geaccepteerd?
Ik moet bekennen dat ik desondanks wel een ietsje begrip voor jongens als Neymar kan opbrengen. Zulke parels moet je koesteren en beschermen. Voor hun talent kom je naar het stadion. En mocht de scheidsrechter naar hun zin iets te weinig oog hebben voor een overtreding, dan de schade maar wat overdrijven, door een moordaanslag te veinzen of op z’n minst een breuk in enkel, scheen, oogkas of schouder.

Gelukkig blijft een minuscuul tikje, uitvergroot tot een misdrijf van betekenis, beperkt tot het edele voetbal. Is het lijfelijk contact dan de oorzaak? Nee, zou ik zeggen. Dat heb je bij basketbal, hockey en handbal ook. Speelt geld dan een rol? Wat te denken van basketbal, waar de salarissen vaak nog exorbitanter zijn dan bij het voetbal.

Toch daalt het risico op aantelleritus bij sport zonder lichamelijk contact naar nul, waar het blessures betreft. Bij tennis kun je hooguit jezelf de schuld geven, als je door enkel, knie of rug zakt. Wel is de referee op gezette tijden de gebeten hond. John McEnroe zette de toon, Robin Haase kan er ook wat van, en – beware me, niet racistisch of seksistisch bedoeld - dat gedoe van Venus Williams onlangs spant qua kinderachtigheid de kroon.

Persoonlijk sla ik alleen alarm bij de hoogste nood, zoals dat een mentaal gezond mens behoort te betamen. Is ook geloofwaardiger. Laat je de sirene om het minste of geringste afgaan, dan groeit in je omgeving de neiging te denken: ‘daar heb je hem weer, zal wel weer niets zijn’. Met het verstrekkende risico, dat men jou, als er werkelijk iets aan de hand is, laat liggen waar je ligt – in het ergste geval tot de dood erop volgt.

Hawk Eye

© Niets van deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de schrijver.