Winterpret

Om redenen waar ik niemand verder mee wil vermoeien, bladerde ik onlangs door een album met oude foto's. Daar stond ik. In de sneeuw. In zwart-wit. Bovenlichaam horizontaal gestrekt, armen op de rug, knieën licht gebogen, benen iets voor elkaar, Friese doorlopers aan de voeten, veters slierend in de sneeuw. ‘Januari 1963’, staat erbij.

Een paar dagen eerder had Reinier Paping de meest heroïeke tocht uit de Hollandse schaatsgeschiedenis gewonnen. In korrelige tv-shots zagen we hem door Friese steden en over bevroren sloten strompelen. Poolbeelden die miljoenen Nederlanders anno nu, bij het naderen van het vriespunt, nog steeds uitzinnig maken en in een volksgekte laten ontbranden. Ik werd er ook meteen door gepakt. Reinier had in mij elke sportvezel geprikkeld om ook een Paping te worden. Dus bond ik de doorlopers onder en liet me voor de zekerheid alvast op de plaat vastleggen.

 

Het volk sprak het woord gravel uit met de poenerige air van champagne.

Ik draag een dun jasje. Om mijn nek zit een wollige sjaal geknoopt die stijf naar beneden hangt tot voorbij mijn knieën. Op mijn hoofd rust een vrolijk mutsje vanwege het opstekende pomponnetje. Die muts heeft mijn moeder gebreid, evenals de sjaal; ochtenden achtereen had ik haar breiwerk gecheckt om te zien hoever ze was. Ze was precies op tijd klaar. Mijn hoofd richt zich op, gluurt zijwaarts in de lens. Ik ben de schaatser van de tekenles op school: stram, bewegingsloos, geen vaart in te ontdekken. Sportmodel jaren zestig.

Twaalf ben ik. Van mijn zus bestaat een identieke foto. Beide zijn genomen vlak voor we de schaatsbaan opgingen. Mijn vader vond het handiger ons niet op het ijs te kieken. Daar bewogen we teveel. Bovendien bevonden zich op het ijs veel mensen die het fotozicht op ons zouden ontnemen en mijn vader zelf zou naast de baan aanzienlijk minder risico lopen op zijn gat te gaan, hoewel hij dat tegenover ons niet als argument gebruikte, maar wij wisten wel beter. Desondanks moesten we nogal even poseren. Ik stond te vernikkelen, in mijn flodderjasje.

Het beeld is genomen op de parkeerplaats naast een tennispark, dat met het oog op de strenge vrieskou was ondergespoten. Na de opname zou ik voor het eerst een tennisbaan betreden, al is betreden in dit verband een groot woord is: ik gleed met wild uitslaande ledematen de baan op. Mijn vader had gelijk: dat had geen mooie schaatsfoto opgeleverd.

In de zomer, met mijn handdoekje op weg naar het zwembad, kwam ik vaak langs deze tennisbaan. Een kooi met een mysterieus rode bodem. Achter het dichte bosschage om de kooi verried een gedempt pok-pok-pok dat er getennist werd, wat me keer op keer bevreemdde omdat het tennisleven zich eerder op een zonovergoten terras leek af te spelen. Daar zat het tennisvolk. In smetteloos wit geplooide kledij, her en der doorbroken door een crèmekleurige trui met V-hals en rood-wit-blauwe biesjes, onder parasols, in rotanstoelen, achter gevulde glazen. Op de parkeerplaats veel open sportwagentjes, die naar veel slappe was roken. Het volk lachte bulderend en sprak het woord gravel uit met de poenerige air van champagne. Hoe zou deze zelfverheven elite het vinden dat het schaatsende plebs zomaar op hun baan was neergestreken? dacht ik, eenmaal zelf in de kooi.

Foto’s anno 2017 zijn digitaal - en vaak meer een spiegel van het moment dan een langlopende herinnering. Of dienen ter illustratie. Zie de website van onze club. Die tonen ook beelden van volk op het terras, in namaakrotanstoelen. En mensen in kooien. Bekende mensen. Bevriende mensen. Ik voel me er thuis. Ook tussen het gebral dat regelmatig opstijgt, niet in de laatste plaats om mezelf niet te verloochenen.

Maar ook wij mochten deze winter de baan even niet gebruiken, want bedolven onder sneeuw. De gewoonte de buurt bij vorst te plezieren met ondergespoten banen ligt in een versleten tijd, en is bij ons trouwens onmogelijk. Het levert echter wel voer voor warme herinneringen, als stierf je toen van de kou.

 

Hawk-Eye

© Niets van deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de schrijver.

Kijk ook eens naar het boek van Jos van Beek: En God deed niets