Strijdlust

[su_column]

Daar waren de tranen weer. Heel veel, prachtige biggels. Tranen horen bij sport als een snotlap bij verkoudheid. Sport is emotie, en ik pleng met de grienende atleten mee; hun geluk is mijn geluk, mijn empathie kent geen rem  - ik moet al janken als ik kinderkoortjes vol overgave vals hoor zingen.

Snikken en snotteren. Ze plakken aan geluk én verdriet, met een scheidslijn soms zo dun dat je niet door hebt met een winnaar of verliezer van doen te hebben, tot deze wel/ niet zijn Colgate-tanden in de gewonnen plak zet. Zie onze langeafstand zwemster Sharon van Rouwendael, die na een kluuntocht over rollende golfkoppen en restanten koelkasten door de baai van Rio 2016 niet kon bevatten dat ze het had geflikt. En zo waren er nog een stuk of honderd.

[su_quote]Dat klinkt toch anders dan het slaapverwekkende Wilhelmus, dat even zo goed als dodenmars door het leven kan[/su_quote]

Allemaal spraken ze dezelfde woorden: daar heb ik twaalf jaar voor gewerkt, alles voor aan de kant geschoven, de pijngrenzen van het menselijk fysiek voor opgezocht, me met genoegen als een masochist voor afgebeuld, geleefd als een kluizenaar verstoken van elk normaal-mensenpleziertje  – een enkele ringenturner daargelaten.

En dan is daar die overwinning. Weer buitelen de clichés over elkaar: dit is alles wat sport mooi maakt, een historische prestatie, deze dag, daar doe je het allemaal voor, hier heb ik mijn leven voor gegeven. Voorspelbare woorden, maar oh zo mooi. Verzin trouwens maar eens iets origineels als je nahijgend van je ultieme prestatie een microfoon onder je neus gestoken krijg. Dan produceer je frases als: “Het is me gelukt om de positieve druk om te zetten in mijn hoofd.”

Prachtig, die Olympische Spelen.

Niet per se omdat ik Nederlander ben, maar voor landgenoten kan ik net wat meer waardering opbrengen dan voor sporters uit andere naties. ‘Wij’ moeten een extra hindernis nemen: ons volkslied.

[/su_column]

Bij het Russische volkslied hoor je de tanks het stadion binnenrollen; van angst zoek je de schuilkelders op. Hoor ook de Italianen. Hun passie, uitgelokt door een krijgslied, jaagt je de stuipen op het lijf; als tegenstander sta je al met een-nul achter. Of de Australiërs. Als die hun Haka niet mogen beuken, zingen ze fris en uitdagend ‘For we are young and free’.

Dat klinkt toch anders dan het slaapverwekkende Wilhelmus, dat even zo goed als dodenmars door het leven kan. Opwellende tranen tijdens ons volkslied komen, naast nationaal sentiment, ook voor uit verdriet, ik weet het zeker. Het lijkt meer een treurzang voor verliezers. Overigens legt onze nationaalhymne het qua melodie af tegen dat van de Oekraïne dat kan wedijveren met de grootste begrafenishit aller tijden: ‘Waarheen…’ van Mie Ketelkamp.

Aan de tekst van ons Wilhelmus maak ik geen woorden vuil; iedereen is het erover eens dat we niet met Duits Bloed willen strijden voor De Koning van Hispanje die we kennelijk altijd hebben geëerd.

Ik bepleit een revolutie. Onze strijdlust moet worden aangeblazen door opzwepende klanken; we willen door het vuur voor Prins Pils en zijn schone gemalin. Met een krijgshaftig volkslied, en Koning Bier op de tribune en in het Holland Heerlijk Helder Heinekenhuis, stappen we zegevierend uit elke sportevenement.

Het gouden rugbyteam van Fiji had dat goed begrepen. In hun overwinningsroes koos deze verzameling vierkante spierbonken in korte broekjes voor ‘We shall overcome’. Dat hield ook niet over, maar alles beter dan hun eilandelijke treurlied, wisten ze.

Overigens, de krijgszuchtige kreten op en rond de Malburgse tennisbanen horend ligt er voor ons een imponerend clublied voor het grijpen. Nu de melodie nog. Om vervolgens elk succes grienend van geluk af te pilzen in ons eigen HHHH-Huis.

 

Hawk-Eye

© Niets van deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de schrijver.