Klappen

Het meest eigenaardig applaus waar ook ooit getuige van was, klonk op in Santorini. Voor wie het even kwijt is: Santorini is “het eiland van uw dromen”, gelegen boven Kreta. Deze toeristenmagneet bezorgt middels postkaarten, kalenders en gidsen de indruk dat heel Griekenland staat volgeplempt met lakenwitte huisjes waarop theedoekblauwe koepeltjes. Wie zijn ogen een beetje de kost geeft, ziet echter dat het telkens hetzelfde tafereeltje betreft, wellicht vanuit andere standpunten bekeken maar daarom niet minder meer van hetzelfde, maar ook weer niet minder mooi. Laten we eerlijk blijven.

De zon heeft een kunststukje geflikt dat zijn weerga niet kent: hij is onder gegaan.

Op Santorini hoorde ik dus het meest eigenaardige applaus. Hoewel. Het applaus zelf was niet  eigenaardig – applaus klinkt in feite altijd en overal hetzelfde – het was de reden waaróm er werd geapplaudisseerd. De reden was eigenaardig, onverwacht, verbazingwekkend. En ik kreeg er lacherig jeuk van.

Wie in een vliegtuig zit, kan het meemaken dat medereizigers beginnen te klappen zodra zeker is dat de landing naar bevrediging zal worden voltooid. Lang heb ik gemeend dat dit applaus een uiting van opluchting was. Klappen als uitlaatpijp van angst: we hebben het weer overleefd. Daar kan ik nog begrip voor opbrengen – met als enige zekerheid van vliegen dat je weer beneden komt, hoe dan ook. Tot een klapper me uitlegde dat het een eerbetoon was aan de piloot. Goed neergezet, jongen! Dan schieten de rimpels van bedenkelijkheid me in het voorhoofd: applaus voor de automatische piloot.

Maar waar het eigenaardig applaus betreft, bereikt deze bijval voor de boordcomputer bij mij slechts de tweede plaats. Santorini staat met stip op één. In het noordelijke plaatsje Oia, inderdaad van de blauwe koepeldakjes, verzamelen zich in het zomerseizoen elke avond honderden tot duizenden vakantiegangers om, schaars gekleed, roodverbrand en vrolijk beschonken, van een uniek schouwspel te genieten: de zonsondergang. 

Als de zee zich boven het laatste streepje zon sluit, gebeurt het. Een daverend applaus barst los. De zon heeft een kunststukje geflikt dat zijn weerga niet kent. Hij is ondergegaan! Voor de duidelijkheid: dat doet hij zo al vijf miljard jaar, elke dag. Voor de zon was dit zo ongeveer de anderhalfbiljoenste keer.

Tegelijk vraag ik me af of ik niet geurend jaloers ben op al die ondergaandezonaanbidders. Waarom kan ik me niet door dit natuurverschijnsel laten meeslepen? Enthousiast worden van puur natuurlijk vermaak? Ben ik te nuchter? Moet ik eerst aan de ouzo of raki?

Mij zie je niet snel op de banken staan, in een polonaise lopen, tekeer gaan op de dansvloer. Ik heb een ingebouwde rem op mijn emoties. En daar ga ik maar klunzig mee om. Iedereen uit z’n bol, ik met een schapenlach langs de kant.

Jawel, als het Nederlands voetbalelftal een belangrijke goal in een belangrijke wedstrijd scoort. Dan schiet de rem los. Dan brengt een doelpunt een nationalistisch beest in me tot leven. Maar dat zal nog wel weer even duren, met die zeperd van de afgelopen kwalificatie. Maar plots was daar Daphne. Daphne Schippers. ‘Ik wist niet wat ik in Nederland teweeg had gebracht’, zei ze. Nou Daphne. Mij had je. Ik juichte en schreeuwde naar mijn LCD-buis, de ogen nat. Hulde op tienduizend kilometer afstand. Alleen thuis. Dan durf ik wel.

Laatst kreeg ik zelf applaus. Eerbetoon van mijn tennisvrienden toen ik de baan betrad. Ze wisten dat, na veel scheppend denk- en metselwerk, mijn eerste roman zou verschijnen. Onhandig trots juichte ik in stilte met hun klappen mee. Met het schrijven van een roman ging een nieuwe laatje in mijn leven open; een nieuwe dag is niet meer als voorheen. De ochtenden tintelen van nieuwe zin. En de zonsopgang blijkt ineens een applausje waard.

 

Hawk-Eye

© Niets van deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de schrijver.